Codes


Duane Michals, Chance meeting

In een dorp wonen doorgaans weinig mensen. In het dorp waar ik vandaan kom, wonen heel weinig mensen. Daar, in mijn dorpje, ken ik iedereen en iedereen kent mij. Grote gezinnen bewonen grote huizen met ruime tuinen. De weidse natuur rond mijn geboortedorp is een warme deken, die de plaats strak heeft ingestopt en de rest van de wereld veilig op afstand houdt. In mijn dorp trouwt elke man een vrouw, en elke vrouw een man. De mannen en de vrouwen ontmoeten elkaar op de jaarlijkse kermis, de pronkzitting, het carnaval, de Meimarkt of op vrijdagavond tussen tien en half twee in de plaatselijke kroeg. Anders is de vaste boodschappenprik op zaterdagmiddag tussen een en vijf in de krappe supermarkt de ideale broedplaats om elkaar te ontmoeten en beter te leren kennen.  

Men spreekt elkaars taal, in de ogen van mijn moeder is dat een mengelmoes van Limburgs en Achterhoeks. Men kleedt zich uniform, praktisch en ingetogen, vooral niet te opvallend. Men kent de ongeremde neiging het vreemde te schuwen en het dorpse leven middels een eigen taal, volkslied, tradities en gedragingen klemmend levend te houden.

De spreuk van de plaatselijke schuttersvereniging vat het leven van mijn dorp in drie woorden samen: eendracht maakt macht. Het aanbreken van de puberteit bracht het begrip van deze drie woorden met zich mee. De spreuk roept op tot het nastreven van universele, onuitgesproken gedragsregels, met als doel een gemeenschap te vormen tot een culturele eenheid, waarin pluriformiteit, multiculturaliteit en seksuele diversiteit een geringe plaats innemen. Ik was de dorpshomo, uniek in mijn soort.

In de stad leerde ik kijken, ontmoette ik andere homo’s en ben ik deel gaan uitmaken van een kunstminnende groep, waarin andere, al dan niet omgekeerde waarden gelden. Mijn blik is veranderd; ik heb niet alleen beseft dat er andere homo’s bestaan, ik ben ze ook gaan herkennen. Tijdens de vele wandelingen die ik maakte in mijn nieuwe, drukbevolkte, dynamische woonplaats, bekeek ik voorzichtig elke jongen die ik tegenkwam, in de hoop te achterhalen of hij wellicht, net als ik, homoseksueel zou zijn. Tijdens een van die wandelingen werd mijn blik getrokken door een jongen die zich in een galerie vergaapte aan levensgrote, kleurloze foto’s. Hij had een van zijn heupen wat laten zakken, om comfortabel te kunnen staan en streek wat zenuwachtig door zijn kundig geknipte kapsel. Zijn strakke zwarte spijkerbroek, zijn glimmende puntschoenen en zijn met ijver gestreken bloesje deden mij vermoeden dat deze jongen mijn evenbeeld was. Brutaal stapte ik de galerie binnen, in de hoop de aandacht van de jongeling te kunnen trekken. Maar mijn focus op de jongen werd bruut verstoord door de geëxposeerde kunstwaar, die de gladde witte wanden van de galerie sierde. Al mijn aandacht werd getrokken door de foto’s van Albert van Westing. De jongen, die nog geen meter van mij verwijderd was, bestond niet meer. Ik zag alleen nog vertroebelde, korrelige foto’s, die met een eerste blik alledaagse voorstellingen zijn van jongeren die in parken, portieken en straathoeken wat rondhangen. De geportretteerden zijn zich niet bewust van de aanwezigheid van de fotograaf, ze kijken niet in de camera en ze existeren zorgeloos, ze genieten. Alle mensen op de foto’s zijn mannen, nonchalant hangen ze wat om elkaar heen. Het langst heb ik voor de foto Eten, drinken, slapen gestaan. Mijn blikveld was compleet gevuld met vier mannen die in het park op het gras liggen, met hun ogen gesloten. Zorgeloos laat een van de vier zelfs zijn hand rusten op het been van de ander.

Als een voyeur mocht ik de jongens bespieden. Een tornado van associaties, gedachten en vragen vulde mijn denkraam. ‘Is misschien een van die jongens ook een homo? Ze liggen verdacht dicht bij elkaar. Mannen horen überhaupt toch niet in het gras te liggen? Dat is toch iets voor kinderen of pubermeisjes? De jongen met de zonnebril ligt in een foetushouding, die moet wel een homo zijn, toch? Ik weet in ieder geval dat de jongens die ik ken uit mijn dorp, nooit met zijn viertjes in het gras zouden gaan liggen om de zon te aanbidden en al helemaal niet in een foetushouding. Nee, met mooi weer zouden de jongens uit mijn dorp de brommers bijeenbrengen en proberen zo hard mogelijk over de dijken te crossen. Dat is namelijk wat elke jongen doet.’

In mijn geboortedorp is het belangrijk elkaar op straat zorgvuldig te begroeten. De ongeschreven regels bepalen dat eenieder elkaar diep aankijkt en even kort nagaat of het goed gaat met de ander, wat resulteert in een kort ‘Hoe gaet mit ow?’ In de stad kijkt haast niemand elkaar aan, en groet men elkaar amper. Homo’s die elkaar tegenkomen kijken elkaar echter wel diep aan. In een korte wederzijdse oogopslag, die gepaard gaat met een flauwe glimlach, geven beide mannen blijk van hun homoseksualiteit. Het is een handeling die haast automatisch wordt uitgevoerd, een code, een traditie, voor mijn part een ongeschreven regel. De fotograaf Duane Michals heeft de ontmoeting van twee mannen die elkaar vreemd zijn en elkander blijk geven van hun geaardheid, in een simpele fotoserie weergegeven. In zes zwart-witfoto’s, die allemaal vanuit hetzelfde standpunt zijn geschoten, zien we twee mannen elkaar passeren en elkaar de bewuste blik van erkenning toewerpen. De serie laat, oneerbiedig gezegd in ‘stripvorm’, een handeling zien die bovenmaats herkenbaar is voor elke homoseksuele man. Het is spijtig om te beseffen dat ik de bewuste jongen in de galerie niet een dergelijke blik heb kunnen geven.

Na een periode waarin ik me onderdompelde in een nieuwe stadse gemeenschap ben ik anders naar mijn vroegere gemeenschap, ‘de dorpsbewoners’, gaan kijken. De dorpelingen, die in mijn ogen een gesloten en eenzijdige cultuur omhooghouden, zijn in wezen niet erg verschillend van mijn nieuwe groep, want al bestempel ik die als open en divers, het blijkt toch lastig om als buitenstaander deel uit te maken van een groep bestaande uit kunststudenten, homoseksuelen, krakers, intellectuelen en ander links gepeupel. Deze groep kent zijn eigen codes, zijn eigen feestjes, zijn eigen kledingvoorschriften, zijn eigen festiviteiten en zijn eigen taal. De jongens op de foto’s van Albert van Westing en de mannen op de fotoserie van Duane Michals zijn iconische figuren, die een groep representeren, zoals de groep waarin ik mij nu begeef. Wellicht is deze groep even gesloten en traditioneel als een dorpsgemeenschap.

Eating, Drinking, Sleeping 1, 1994 (2001)

In de geest van deze redenering zou er boven de ingang van een kunstacademie een homobar, of een andere al dan niet culturele vrijdenkende instantie ook ‘Eendracht maakt macht’ moeten staan, zoals dit gegraveerd staat boven de ingang van de schutterij in mijn dorp. Een plek waar creatief talent, homoseksuelen en andere vrijbuiters worden geacht onbelemmerd te denken, zich vrij te kleden en vrij te bewegen, is de plaats waar het denken in regels en tradities taboe is, net zoals in mijn dorp het creatief en traditieloos denken taboe is.

Inmiddels ken ik de codes, de codes uit mijn dorp, de codes uit mijn stad, de codes van mijn gemeenschap en de codes om homoseksuelen te herkennen. Of ik het nu wil of niet, elke groep streeft in meer of mindere mate naar eendracht, om elkaar te kunnen herkennen en een gevoel van saamhorigheid te creëren. Maar of dit de groep ook macht verschaft?