Anna en Joachim


Anna en Joachim, beeldhouwer onbekend ca 1470

Lieve onbekende beeldhouwer,

Eigenlijk ben ik niet zo weg van oude kunst. Ja, dit zou ik niet zo direct mogen zeggen, dat weet ik. Maar vaak doet het me niet zo veel, die oude kunst. En dan vraag jij je natuurlijk af wat ik dan met ‘oud’ bedoel, dat weet ik zelf eigenlijk ook niet zo goed. Er is hele oude kunst die vernieuwend is en er is hele jonge kunst die erg oubollig is. Misschien ben ik nog te jong, en vind ik het werk van al jouw tijdgenoten wel reuze interessant als ik rimpels heb, een hangbuik en van Bommel schoenen. Ik heb nu weinig rimpels, geen hangbuik en zeker geen van Bommels, en toch word ik getrokken door jouw houtsnijwerk dat te zien is in het Rijksmuseum. Het bordje naast jouw werk schrijft dat je Anna en Joachim hebt geschapen uit een stuk hoogwaardig hout. Dit waren de ouders van Maria, dè Maria, de moeder aller moeders. Gelovig, ben ik niet. Mijn ouders, Peter en Gerda, hebben wel een verwoede poging gedaan, om mij te laten geloven in de kerk van de moeder aller moeders. En toch heb je mij, dit modern gezinde, verwende, ongelovige kind met je religieuze beeldje, dat nog geen dertig centimeter meet, bij mijn strot beetgepakt.  

Het verhaal van Anna en Joachim ken ik niet, maar dit geeft volgens mij niks. Jij, hebt het hele verhaal voor mij ingevuld. Ik zie twee ouders, die om elkaar geven. Ze houden elkaar teder vast, alsof ze elkander na een lange barre tijd, weer ontmoeten. Ze, beter gezegd, grijpen elkander. Ze zijn een echt liefdeskoppel, zo’n stel dat daadwerkelijk bij elkaar blijft tot de dood hen scheidt. Joachim lijkt Anna te willen kussen. Geen ordinaire pakkerd, een platte tongzoen of een banale hoe-was-het-op-je-werk kus. Nee, nee, een beschermende kus, een delicate, genegen kus een alles-komt-goed-mijn-lieve-Anna-kus. En Anna weet dat ze zodra wordt gekust door de meest lieve, zorgzame man die je maar kan voorstellen en beweegt haar hoofd in een zachte knik, opdat de neus van haar geliefde de kus niet in de weg kan zitten.

Was je nog maar in leven lieve onbekende beeldhouwer. Dan kon ik je naar je motieven vragen, dan kon ik je atelier bezoeken. Dan kon ik met eigen ogen zien, hoe jij uit een blok hout tedere liefde weet te scheppen. Dan mocht ik misschien wel model voor je staan, en dan stond ik nu in het Rijks vereeuwigd. Dan, had jij me kunnen overtuigen om ook te geloven, te geloven in ware liefde.

Liefs,

Thijs Tittse