« vorige | volgende »
Geef ons heden ons dagelijks brood


Henk Wildschut, Halffabrikaat, Verbeek Broederij en Opfok, Zeewolde, juli 2012
Bijschrift: Verbeek Broederij en Opfok opende in 2011 een nieuwe broederij met een capaciteit van 30 miljoen eendagskuikens per jaar. Bij de bruine kip is het bij het fokken mogelijk om een visueel onderscheid te creëren tussen een hen en een haan. Een jonge hen is wit en een jonge haan is bruin. Dit onderscheid is voor een broederij voor legkippen belangrijk omdat een haan nu eenmaal geen eieren legt. Het selectieproces is nu minder gecompliceerd en kan op het oog door ongespecialiseerde werknemers worden uitgevoerd. Aan de lopende band worden 20.000 bruine en witte kuikens per uur van elkaar onderscheiden.


“Hij rekent in dit project faliekant af met de romantische kant van voedselproductie”, zegt Martine Gosselink van het Rijksmuseum. Veel mensen hebben een slecht beeld van de voedselproductie en verlangen naar eerdere tijden. De consument is in de supermarkt altijd op zoek naar producten met een visueel herkenbare afkomst. Eieren van kippen die vrij rond scharrelen op het boeren erf, melk en vlees afkomstig van koeien die de hele dag door de weide kunnen lopen en sla uit lieflijke moestuintjes. Echter is dit niet de realiteit. Dit beeld wordt ons nog wel voorgehouden door de voedselindustrie, maar slechts een klein gedeelte van de producten die in de supermarkt te verkrijgen zijn worden op deze manier gemaakt. Daarom verschijnen er televisieprogramma’s zoals Keuringsdienst van Waarde, waarin allerlei misstanden en vermeende misstanden voornamelijk op het gebied van voedselvoorziening aan de kaak worden gesteld. Daarnaast staan partijen zoals Wakker Dier, die zeggen dat het zeer slecht gesteld is met de vleesindustrie. En dan blijf ik over, de consument, die in het midden staat en eigenlijk niet weet waar hij voor moet kiezen en wat goed is of slecht. 

“Vernieuwing wordt vaak tegengehouden door onze angst, omdat we ergens geen grip op hebben of niet weten wat het precies inhoudt. Deze angst probeer ik weg te halen met deze tentoonstelling.” zegt Henk Wildschut, documentair fotograaf. Twee jaar geleden kreeg hij een telefoontje van Jan Paul van der Wijk van het NRC Handelsblad met de vraag of hij een fotoreportage opdracht voor Document Nederland wilde maken. De enige restrictie die hij meekreeg was dat hij er een jaar over mocht doen en dat het onderwerp voedsel moest zijn. Daarop begon hij met een grote zoektocht waarin hij zocht naar een duidelijk uitgangspunt en startte hij met het lezen van een grote stapel boeken die de voedselindustrie in een slecht daglicht zetten. Hij begon zijn opdracht met het vooroordeel dat er van alles mis is met de Nederlandse productie van vis, vlees, groente fruit en eieren, maar ontdekte gaandeweg dat de voedselproductie in ons land ook vele voordelen kent. Het kan zelfs lijden tot meer dierenwelzijn.


Henk Wildschut, Ons dagelijks brood

Henk Wildschut: “Ik werk heel procesmatig, probeer van alles, experimenteel veel en streep uiteindelijk veel dingen weg. Het onderwerp ‘voedsel’ werd voor mij interessant toen ik zwart-wit ging denken en echt nadacht over goed en slecht binnen de voedselketen. Eerst onderzocht ik beide kanten, zo ging ik op een zondagmiddag naar een geitenboerderij in het Amsterdamse bos, waar zich hordes van kinderen met ouders bevinden. Kinderen mogen hier geitjes voeren met flesjes melk. Omdat er zoveel mensen op af komen, zitten de geitjes na enige tijd helemaal vol. Je ziet ze dan denken: ‘ Oh nee hè, komt er weer zo’n kind met een fles’. Alle ouders lopen rond met camera’s in hun handen, om het voederen vast te leggen. Hier heb ik een foto van gemaakt. Het lijkt net een gekkenhuis, de boerderij wordt bijna een pretpark, een soort van attractie. Dit te hebben aanschouwt, trok ik de conclusie dat de afstand die we tot ons voedsel hebben enorm is. Met die realiteit in mijn achterhoofd besloot ik boeren en ondernemers te onderzoeken die echt met iets nieuws bezig waren om problemen binnen de voedselproductie op te lossen. Ik heb door deze zoektocht de afgelopen jaren meer vertrouwen gekregen in de oplossingsgerichtheid van de mens, omdat ik heb gezien hoe inventief ondernemers zijn om zich aan te passen aan de nieuwe eisen en vragen van de consument. Dat is voor mij een belangrijke conclusie die ik heb kunnen trekken tijdens project, waar ik eerst vrij cynisch instapte. Mijn voornemen om een hele activistische serie te maken en de wereld laten zien hoe vreselijk het is bleek totaal oninteressant, omdat alles aan de lopende band gedaan wordt. Toen ik me ook in de andere kant van het verhaal ging verdiepen, begon ik me te realiseren dat mijn mening helemaal nergens op gebaseerd was. Het was vooral onwetendheid. Nu ben ik veel genuanceerder gaan denken over ons voedselsysteem. Al met al kan ik dus zeggen dat ik een stuk gelukkiger ben geworden van dit project.”

Henk Wildschut, Bewaren, K.I. Samen, Grashoek, april 2013
Bijschrift: Een gemiddelde stier produceert per goedgekeurde zaadlozing 480 doses (rietjes) om koeien mee te bevruchten. Een populaire stier kan tot 300.000 doses in zijn leven leveren. Een dosis wordt in een rietje opgevangen. Vervolgens worden de rietjes bij een temperatuur van -196 graden Celsius in vloeibare stikstof bewaard. Elke beker bevat 3.000 rietjes en in totaal zitten er ongeveer 600.000 rietjes in een container. De kleur, code, naam en datum maken ieder rietje uniek.


Henk Wildschut verteld over het werk 'Bewaren'

Het onderzoek naar innovatie is terug te zien in de expositie die hij voor Document Nederland maakte, die momenteel te bezichtigen is in het Rijksmuseum. De serie bevat veel klinische beelden, met wetenschappelijke opstellingen, onderzoeksruimtes, de nieuwste technologische snufjes op het gebied van voedselproductie, mannen in witte pakken en her en der een dier. Wildschut: “Ik laat juist dit klinische systeem zien, omdat het daarom gaat binnen onze voedselproductie. In dit systeem heeft alles met elkaar te maken, wordt alles gecontroleerd en beoordeeld naar aanleiding van Europese regels, het moet volledig schoon zijn. Deze regels zijn er om onze voedselveiligheid te waarborgen, maar het heeft ook een economisch belang. Toch doet niet elke boer hieraan mee en gaat een enkeling hier tegenin. Deze boeren doen bijvoorbeeld geen oormerk in het oor van de koe en zagen geen hoorns af. Als je tegen deze regels in gaat, heeft dat wel consequenties, als boer krijg je namelijk strafkorting op je melktoeslag. Als je de keuze maakt om je niet te schikken naar de regels, wordt het leven je als boer een stuk lastiger gemaakt.”

Henk Wildschut, Uitzendkracht, Verbeek Broederij en Opfok, Zeewolde, juli 2012

Een van de werken die te zien is, is een foto van een douchende uitzendkracht. De foto bevat sprekende kleuren die een mooie tegenwerking bevatten: de huid van de jongen heeft precies dezelfde kleur roze als de huid van biggetjes die op andere foto’s te zien zijn. ‘In-douchen’, noemt Wildschut het. Dit houdt in dat je, met name als je een varkensbedrijf binnenkomt, eerst moet douchen, dan pas mag je het bedrijf in. “ Ook ik moest eerst onder de douche. Daarnaast moest mijn apparatuur door een scanner, in een soort van grote doos met infraroodlicht, zodat het ontsmet kon worden. Daarna kreeg ik bedrijfskleren aan, al mijn eigen kleding moest uit, tot aan mijn onderbroek, sokken, alles. Dan pas mag je het bedrijf in. Voor mij was dit echt ongelooflijk.” Eerder heeft Wildschut een serie gemaakt over het AMC, in opdracht van de Volkskrant, waar hij fotografeerde in de operatiekamers. Hij gaf aan dat hij hier nooit heeft ‘in-gedouched’ of zijn apparatuur heeft moeten ontsmetten. Wildschut zelf denk dat dit cynisch genoeg te maken heeft met het economische belang, die voor een varkensboer voor groter is dan voor een ziekenhuis. Wildschut: “De boer moet heel goedkoop produceren en voldoen aan alle regels van voedselveiligheid om nu bijvoorbeeld het antibioticagebruik terug te dringen. Daarom moet hij op een extreme manier klinisch te werk gaan. Zo mag hij alleen in zijn eigen gebied werken en is het niet toegestaan om de varkens zomaar verplaatsen, want dan is er een besmettingsgevaar. Indien dit gebeurd, betekend het dat je antibiotica moet gebruiken, maar antibiotica geven aan dieren mag niet meer. Dit kan dus betekenen dat alle dieren dood gaan. ” Iedere verplaatsing, maar dus ook ieder persoon die van buiten naar binnen komt, vormt een groot risico. Op het moment dat het mis gaat zit er natuurlijk een groot financieel risico aan vast en is het mogelijk dat zo een bedrijf failliet gaat. Dit komt volgens Wildschut omdat de marges heel klein zijn, wat als oorzaak heeft dat wij als consument daar niet meer voor willen betalen.

Hetzelfde geldt voor sla, tomaten en andere groenten productie. In sla kun je bepaalde schadelijke ziektes hebben, zoals valse meeldauw. Deze ziekte is moeilijk te bestrijden en past zich snel aan. Als die schimmel op de sla terecht komt is de hele oogst mislukt, wat een bedrijf vaak duur komt te staan. Dit betekend dat ze de groentes moeten bespuiten met pesticide, waar de consument natuurlijk niet blij mee is. Daarom worden er onderzoeken gedaan om rassen te creëren die daar tegen kunnen. Wildschut: “Ze besmetten tijdens zo een onderzoek meerdere planten van dezelfde soort groenten. De planten die goed tegen de ziekte kunnen worden veredeld, op deze wijze creëren ze dus een nieuwe plant, die niet bespoten hoeft te worden. Dit heet zadenveredeling. Er zijn dus bepaalde producten die ik niet was, omdat ik weet dat ze via een ontzettend klinisch en gecontroleerd systeem in het groenten schap terecht komen. ”

Henk Wildschut, Varkenshouder, Houbensteyn Groep, Ysselsteyn, februari 2012

Henk Wildschut, Data, Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I), Dienst Regelingen, Assen, juli 2012
Bijschrift: Het datacentrum van het Ministerie van Economische Zaken verwerkt jaarlijks ruim 21 miljoen registraties van runderen, schapen, geiten en varkens. Pluimvee wordt niet geregistreerd vanwege de grote omloopsnelheid. De databank bevat van elk dier de identificatiecode, de geboortedatum, het geslacht, de haarkleur, de identificatiecode van de moeder, de nummers van alle bedrijven waar het dier is geweest en de data van dood of slacht. Bij een besmettelijke dierziekte of bij gevaar voor de volksgezondheid zijn de dieren daardoor snel te traceren. In 2012 stonden er 4.032.471 runderen, 1.286.069 schapen en 505.116 geiten geregistreerd.


Henk Wildschut, Weiland, Melkveehouderij Brandsma, Bolsward, mei 2012

Dat ons koopgedrag een grote invloed heeft op ons voedselsysteem, is een andere ontdekking van de fotograaf. We staan er niet altijd zo bij stil, maar we zijn zelf onderdeel van het hele systeem, want onze vraag naar voedsel moet immers beantwoord worden. Dit is voor Wildschut ook een van de redenen geweest om dit te fotograferen, hij wil mensen hier bewust van maken. Daarom liggen er bij de tentoonstelling boekjes met teksten waarin de foto’s worden uitgelegd. Toen ik de foto’s in eerste instantie bekeek, vond ik het niet direct geruststellend te noemen: kuikentjes die via een lopende band worden verplaatst, een laboratorium waar paars licht schijnt en de planten zijn aangesloten aan een infuus, een rek vol kalfslevers en een schap vol bloedmonsters van verschillende soorten dieren. Toen Wildschut later het verhaal achter de foto’s vertelde, viel het me mee. Zelfs de foto van de plofkip, die ik eerder op posters van Wakker Dier had gezien, zag er ineens iets minder vreselijk uit dan daarvoor. Eigenlijk mag ik er ook niets over zeggen, want zelf koop ik ook de goedkope plofkip in de supermarkt. En velen met mij, want slechts 5 procent van de consumenten koopt biologische kip, maar als je vraagt wat men van de plofkip vindt, zal een veel groter percentage zeggen dat ze er tegen zijn. Wildschut: “De plofkip, of beter gezegd het vleeskuiken, wordt in een slecht daglicht gezet vanuit dierenwelzijn. Terecht want het is niet prettig om te zien. Maar toch zit het vast aan onze wensen om vlees te willen eten. Er wordt wel ander vlees aangeboden en er zijn veel mensen tegen de plofkip, maar slechts een kleine groep mensen zet dit om in ander koopgedrag. Een ander voorbeeld is het ontsnavelen van de kippen, wat ook wordt gezien als niet diervriendelijk. Tegenwoordig gebeurd dit met een lazer, wat pijnloos zou zijn. Of het diervriendelijk is, ligt er maar net aan hoe je het bekijkt. Als je kippen met elkaar in de stal zet, gaan ze elkaar pikken, tot doods aan toe. Ze moeten toch met grote getallen in een stal, want we willen ook kip eten, dus er moet veel kip zijn. Je moet hierin dan toch een keuze maken.”

Henk Wildschut: “Dit hele proces van voedsel is een zoektocht waar ik heel veel wijzer van ben geworden. Omdat ik fotograaf ben, heb ik de mogelijkheid gekregen om dit met heel veel mensen delen. Eigenlijk is het een enorm luxe, ik heb een jaar lang de mogelijkheden gekregen om mezelf volledig op een onderwerp te richten. Uiteindelijk heb ik conclusies getrokken die ik van te voren niet voor mogelijk had gehouden, waarin ik mijn eigen vooroordelen onderuit heb kunnen halen.” Ook ik dacht voor mijn bezoek aan de tentoonstelling dat er van alles mis was met ons voedselsysteem, ondanks het feit dat ik mijn koopgedrag hier nooit op aangepast heb. Ik ben blij dat ik door de foto’s van Henk Wildschut de realiteit onder ogen kan zien en me iets minder schuldig hoef te voelen wanneer ik de verpakking met plofkip in mijn winkelkarretje laat zakken.

Henk Wildschut, Gecontroleerd, Wakker Dier, Amsterdam, maart 2012
Bijschrift: Wakker Dier startte in 2012 een campagne tegen het industrieel gefokte vleeskuiken. Wakker Dier noemde dit 'plofkip', omdat het snelgroeiende kippenras binnen zes weken uitgroeit van kuiken tot 2,3 kilo kip. Een kip gebruikt daar 3,7 kilo voedsel voor. Wakker Dier is tegen deze snelle groei omdat het het dierenwelzijn in gevaar brengt.
Tegenover de 'plofkip' staat het biologische kippenras Hubbard JA 957. Deze kip groeit binnen tien weken uit tot een kip van 2,8 kilo en gebruikt daarvoor 6,5 kilo voedsel. De 'plofkip' op de foto krijgt in opdracht van Wakker Dier een gezondheidscheck door een dierenarts.


Henk Wildschut, WC, Varkens Innovatie Centrum (VIC), Sterksel, augustus 2012
Bijschrift: In het VIC zoekt Wageningen University samen met het bedrijfsleven naar innovaties in de varkenshouderij. Bij de ontwikkeling van het varkenstoilet 'Pigsy' is uitgegaan van het natuurlijke gedrag van het varken. Een varken zoekt normaliter eerst naar een slaapplaats en daarna - op betrekkelijk grote afstand - naar een plek om zich te ontlasten. Om het natuurlijke gedrag zo veel mogelijk te stimuleren, wordt de jonge biggen geleerd hun behoefte te doen in een speciale hoek van de stal. De ontlasting wordt nu op één centrale plek verzameld en kan sneller worden afgevoerd. Hierdoor komt er minder ammoniak vrij in de stal.


Henk Wildschut, Quarantaine, Verbeek Broederij en Opfok, Zeewolde, juli 2012

Henk Wildschut, Seksen, Verbeek Broederij en Opfok, Zeewolde, juli 2012

Henk Wildschut, Groei, Kweekerij de Wieringermeer, Wieringermeer, november 2011

Henk Wildschut licht zijn werk toe

Henk Wildschut, 2400M², Torsius Ei, Putten, maart 2012
Henk Wildschut, 10.000M², Agrocare, Middenmeer, april 2012


Henk Wildschut, Ons dagelijks brood

De tentoonstelling 'Ons dagelijks brood' van Document Nederland is nog tot 7 januari 2014 te bezichtigen in het Rijksmuseum te Amsterdam. Voor meer informatie, bezoek de website.

| | | tag - Ons dagelijks brood, vis, vlees, groente fruit en eieren, voedselsysteem, tentoonstelling, fotoreportage, Henk Wildschut, NRC Handelsblad, Document Nederland 2013, Rijksmuseum | laat een reactie achter
Plaats een reactie
Je email zal nooit gepubliceerd of gedeeld worden.
Verplichte velden zijn gemarkeerd *