ARCHIEF

Imago

Inleiding: Assen
(Tekst: Bert Mebius)


Ik was met de trein op weg naar het noorden voor een bezoek aan kunstenaarsinitiatief DeFKa (Departement voor Filosofie en Kunst) in Assen. Ik zat lang en geïnteresseerd te kijken naar een mooi meisje verderop in de coupé dat met meditatieve ernst bezig was crème in de huid van haar gezicht te masseren. Tot zich de vraag aan mij opdrong of ze eigenlijk wel mooi was
en niet veeleer mooi leek. Die vraag hield me bezig tot we in Assen waren.


1.
Ik kom weinig in Assen. Ik kom ook weinig in, bijvoorbeeld, Oss of Gouda. Dat ligt niet aan Assen, Oss en Gouda an sich -er valt zowel in Assen, Oss als Gouda van alles te doen en te beleven; zo heb je in alle drie die plaatsen musea met een interessante kunstcollectie - maar aan hun imago, dat wil zeggen: aan hun verkeerde imago, of aan hun gebrek aan imago (wat ook een verkeerd imago is). Imago heeft alles met vooroordeel te maken. Dat geldt ook voor een positief imago.
Imago en vooroordeel zijn elkaars pendant: iemand (A) heeft een bepaald imago(C), iemand anders (B)koestert een vooroordeel (C’) over A. In het
ideale geval verschillen C en C’ alleen van plaats, niet van inhoud. Maar soms vallen A en B samen, dan gelooft A in z’n eigen imago. Dan heeft A een probleem.
Al-dan-niet-mooie meisjes leiden tot allerlei gedachten. Dat zijn niet per se geile gedachten. Met name mannen hebben een slecht imago dienaangaande. Dat is dus niet altijd terecht.

2.
Ik kom ook weinig in Italië. Sterker nog: ik ben nooit in Italië geweest. Wie dat voor het eerst hoort, kijkt daar gegarandeerd van op: ongelovig,
soms zelfs geschokt. ‘Het is niet waar! Ben jij nog nooit in Italië geweest?!’ Volgt een lofzang op de Italiaanse keuken, op het Toscaanse landschap,
op de schoonheid van de David van kom-hoe-heet-ie.
Ik vind dat wel stoer: iemand te zijn die nog nooit in Italië is geweest. En dan niet uit gebrek aan tijd of middelen, maar uit gebrek aan interesse en noodzaak. Rome? Florence? Het Uffizi? Mwah. Het geeft me
een imago van recalcitrantie en eigengereidheid. Ik koester dat imago. Het geeft me houvast. Het maakt me aantrekkelijk.

3.
Ik was laatst in het Van Goghmuseum. Daar kom ik anders nooit. Verkeerd imago, iets voor toeristen. Het was dat een buitenlandse gast van me die
weinig aan kunst doet erheen wilde. Van Gogh is typisch een kunstenaar voor mensen (buitenlandse mensen met name) die weinig aan kunst doen. Veel bezoekers van het Van Goghmuseum worden niet in de eerste plaats
aangelokt door het werk van Van Gogh, maar door diens imago van gekwelde, onbegrepen kunstenaar. Het maakt niet uit. Ze gaan kijken, ze worden ergens door aangeraakt. Ik moet nu oppassen met wat ik zeg. Enthousiast praten over Van Gogh maakt een naïeve indruk. Ik zag in het
Van Goghmuseum ook een werk van Auguste Le Père. Nooit van die
man gehoord. Prachtig schilderij.

4.
Waar ik ook nooit kom: het Cobra-museum in Amstelveen en het Frisiamuseum
in Spanbroek. Terwijl die voor mij toch naast de deur liggen.

5.
In de wekelijkse magazinebijlage van De Volkskrant loopt al jaren de serie Andere Ogen. Min of meer bekende Nederlanders tekenen een zelfportret en worden aan de hand daarvan ondervraagd over hun zelfbeeld en veronderstelde imago: ‘Hoe zien wij onszelf en wat denken anderen?’. Op 5 maart 2005 was het de beurt aan PvdA-politica Jeltje van Nieuwenhoven,
voormalig lid en voorzitter van de Tweede Kamer en op dat moment lid van Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland. Over haar imago zegt ze onder andere: ‘Ik kom vertrouwenwekkend over .’
Niet op interviewer Stijn Aerden, zo blijkt. Die vraagt, doelend op het zelfportret
dat hij kennelijk te goed getekend vindt: ‘Zegt u eens eerlijk?’ Van Nieuwenhoven bekent dat ze haar zelfportret niet zelf heeft getekend. Ze
zegt: ‘Nou ja, goed, ik heb hem niet helemaal zelf getekend.’ Dat‘niet helemaal’ in plaats van ‘niet’ of ‘helemaal niet’ verdient speciale aandacht. Van Nieuwenhoven vervolgt: ‘Dat heeft iemand van de afdeling vormgeving hier op het provinciehuis gedaan. Maar wel op mijn aanwijzingen, hoor. Met de schop in de grond. “Nu aan het werk”, dat idee.’

6.
Denk je aan imago, denk je aan imagofalen (dat is zoiets als autopanne) en imagoschade.

7.
Ik denk ook aan de woorden beeld, beeldvorming, uitstraling, en reputatie, waarvan ik mij afvraag of ze niet hetzelfde betekenen als imago. En ik vraag me af of mooi zijn en mooi lijken ook niet op hetzelfde neerkomen. En of Van Nieuwenhovens gefakete zelfportret toch niet een echt zelfportret mag heten. Er zijn tenslotte legio kunstenaars die hun werk niet zelf uitvoeren.
Of bestaat er verschil tussen wat een politicus mag en wat een
kunstenaar mag? En heeft dat te maken met wat het imago van de een onderscheidt van dat van de ander?
En ik vraag me af of de naam onder Van Nieuwenhovens portret daar gezet is door Jeltje zelf of door de tekenaar. En of dat wat uitmaakt. Uitmaakt waarvoor? En of er kunst bestaat die alleen maar op kunst lijkt.
Die alleen het imago van kunst heeft. Die van binnen geen kunst is. En van buiten ook niet. Die alleen aan het oppervlak kunst is, althans op kunst lijkt, op andere kunst. En het woord ‘vormgeving’ komt me in gedachten.
En van het woord ‘vormgeving’ beland ik bij ‘beeldvorming’. En vervolgens weer bij ‘imago’.

8.
Kunstenaars koesteren hun imago. Ze gaan graag door voor denkers, vrije geesten, nomaden, gevoelige zielen, of zelfs zieners. Dat wisselt per periode. Tegenwoordig willen ze graag onderzoekers heten.

9.
Ik ben in Assen de enige die uitstapt. De rest van de passagiers gaat door naar de
volgende halteplaats (en tevens eindbestemming): Groningen. Ook dat al-dan-niet-mooie meisje. Gelijk heeft ze. Er gaat
niets boven Groningen.

10.
Ook Assen bouwt aan zijn imago. Op de menukaarten op de tafeltjes in de stationsrestauratie staat onder de Nederlandse tekst: ASK FOR YOUR ENGLISH AND
GERMAN VERSION.

Lees meer »

datum
trefwoord(en)
1 2 3 »