ARCHIEF
Archief » Blog » MotleyXL »

De kunstenaar is geen amateur


Jelis van Dolderen, Réflextion 22, 2010

Tussen amateurs en professionals bestaat een, weliswaar dunne, scheidslijn. Verschil moet er zijn. Een amateur heeft een keuze. Een professional niet. Een professional is wat hij doet. Een amateur is wat hij laat. Kunst en amateurisme zijn tegengesteld aan elkaar en mogen niet in één adem worden genoemd. Precies daarom is iemand die zegt dat-ie een amateurkunstenaar is, een enorme sukkel. 

Het begrip amateurkunst is een contradictio in terminis. In de kunst wordt het verschil tussen amateurisme en professionaliteit niet bepaald door wat iemand doet, maar door wat iemand is. Je kunt wel zingen, maar daarmee ben je nog geen zanger. En wat je bent, dat bepaal je zelf. Wat je zegt, dat ben je zelf. Je merkt het meteen of iemand een amateur of een professional is. Amateur of professional ben je meteen in alle opzichten: het een of het ander. Je kunt het of je kunt het niet. Je bent het of je bent het niet. Zelfs bij degenen die de grootste pretenties hebben, verzucht je vaak: ‘Amateur.’ Bij degenen die zich nergens op laten voorstaan, kun je weer denken: ‘Eenzame wereldklasse!’ De vraag is waar dat aan ligt. Het is een vraag die altijd een vraag blijft, ondanks alle mogelijke antwoorden, want het is vooral ook een kwestie van persoonlijke opvatting. Natuurlijk zijn er allerlei voorwaarden die je aan professionaliteit kunt stellen: een afgeronde opleiding, vaardigheden of – modieuzer – competenties, waardering en erkenning in de beroepspraktijk, consistente ontwikkeling, het voorzien in je onderhoud met je werk, enzovoort. Je kunt aan al die voorwaarden voldoen en toch een amateur zijn in de ogen van een ander. Dan komt het eropaan daar boven te staan.

Het kunstenaarschap is een vrij beroep. Je kunt er wel in gediplomeerd zijn, maar niemand weerhoudt iemand zonder diploma zich kunstenaar te noemen. Vrije beroepen zijn natuurlijk de mooiste die er bestaan: schilder, schrijver, muzikant, beeldhouwer, danser, toneelspeler, dirigent, fotograaf, filmer. Je kunt ervoor leren, maar sommigen doen dat niet. Die beginnen gewoon. Ze vinden het zelf uit. Ervoor leren is goed, het zelf doen is ook goed. Of je in je kunstenaarschap slaagt, is daarvan niet echt afhankelijk. Je kunt het, of je kunt het niet, of je er nu wel of niet voor hebt geleerd. Sommigen moeten heel hard oefenen, anderen gaat het gemakkelijk af.

Nu kun je in al die vrije beroepen een amateur zijn of een professional, maar in het kunstenaarschap niet. Het kunstenaarschap kent die categorieën niet. Iemand die beweert amateurkunstenaar te zijn, is een enorme sukkel. Zoiets zeg je niet van jezelf. Een amateurschilder maakt in zijn vrije tijd schilderijen. Hij doet eigenlijk iets anders. Het schilderen doet hij ernaast. Amateurs doen het ernaast.

Kunstenaars doen er ook wel iets naast. Dat is dan hun liefhebberij, hun hobby. Daar zijn ze soms heel goed in. Zelfs in hun amateurisme weten ze zich te onderscheiden. De kunstenaar Jelis van Dolderen bijvoorbeeld is een doorgewinterde vliegvisser. Hij heeft een prachtige, professionele uitrusting, tot een regenhoed met een veertje in de band aan toe, en hij reist naar afgelegen oorden om zijn liefhebberij te beoefenen. Hij verzamelt ook 78-toerenplaten van beroemde tenoren uit het begin van de twintigste eeuw en hij heeft een mooie collectie scheermessen en hij weet alles van sigaren. Al die kennis die hij via zijn fanatieke amateurisme op die gebieden verzamelt, heeft niets te maken met zijn professie als schilder. Je ziet op zijn schilderijen geen goedgeschoren visser een sigaar roken terwijl hij naar een schellakplaat luistert die met een bamboenaald op een historische grammofoon wordt afgedraaid.

Toch zijn er ook amateurs die niets anders doen. Ze hebben niets ernaast. Ze doen niks anders. Ze zijn de totale liefhebber. Hun liefhebberij vult hun hele leven. De meeste van deze amateurs zitten in de gesloten afdelingen van psychiatrische inrichtingen. Of ze hebben zich teruggetrokken in van flessen, luciferhoutjes, schelpen, of lege sinaasappelkistjes gebouwde onderkomens. Daar trekken ze veel bekijks. Ze zijn zonderlingen.

De definitie van een amateur is wellicht dat hij zijn vrije tijd besteedt aan een liefhebberij die hij in meer of mindere mate maniakaal beoefent, maar de zingeving van zijn leven vindt hij in iets anders. De definitie van een professional is dan dat hij iemand is die de wil heeft en de mogelijkheden benut om zijn talent tot de inzet van zijn leven te maken. Niet per se als zijn beroep, maar wel als zingevende noodzaak. Die noodzaak vindt de professional niet alleen in zichzelf, maar wordt ook als zodanig door anderen erkend. Let op: ‘erkend’, niet ‘herkend’. Die twee termen ‘erkenning’ en ‘herkenning’ zijn de onderscheidende kenmerken tussen de professional en de amateur. Daarin worden dan ook de meeste fouten gemaakt als het erom gaat het onderscheid zuiver te houden.

Neem nu de kwestie van de televisiepresentator Jack van Gelder die was gecast voor een rol in de musical Les Misérables. Hij zag zijn uitverkiezing als een vorm van ‘erkenning’ van zijn reeds te lang verborgen talent. Terwijl het enige criterium waarop hij werd gecast het feit was dat de man als Bekende Nederlander wordt ‘herkend’. Hij is bekend en wordt herkend, als de amateur die hij is. Hij is ingezet als een zetstuk in de marketing van die musical. Meer stelt het niet voor. Dat wordt dan verantwoord door te zeggen ‘hij zingt niet onverdienstelijk’. Ja, dank je de koekoek, dat zou er nog eens bij moeten komen, dat-ie als een valse kraai staat te krassen!

Al langere tijd wordt in Nederland onderzocht of er, naar buitenlands voorbeeld, een universitaire of hogere beroepsopleiding voor het vak van schrijver moet komen. En hoewel je overal, op allerlei niveaus, cursussen kunt volgen om je te bekwamen in het schrijversvak, komt die opleiding er niet. Wie zijn er vooral tegen? De professionele schrijvers zelf. Is dat wellicht de reden dat Nederlandse literatuur in het buitenland nauwelijks meetelt? Aan Amerikaanse universiteiten kun je serieus literatuur studeren. Hier kun je die hooguit bestuderen, maar ook dat wordt je niet in dank afgenomen door het schrijversgilde. Een neerlandicus is in hun ogen hooguit een gemankeerd schrijver. Dat geldt overigens voor de hele kunstbeschouwing en -theorie in Nederland, inclusief de journalistiek: vakken in die branches worden, vanuit kunstenaars bezien, alleen uitgevoerd door amateurs. Omdat ze zelf niet kunnen schrijven, schilderen, filmen et cetera meten ze zich een mening aan. Kunstkritiek is in hun verongelijktheid dan net Autodrop: ‘Het zou verboden moeten worden!’

Nederlandse auteurs zijn er dus van overtuigd dat het schrijversvak niet te leren valt. Dat kun je, of je kunt het niet. Hetzelfde zou je kunnen zeggen over allerlei andere artistieke vakken en beroepen. Je bent een schilder, of je bent het niet. Je bent een muzikant of je bent het niet. Er zijn professionele muzikanten die toch maar drie akkoorden kunnen spelen. Je kunt met een verrotte stem toch een professionele zanger zijn. Je kunt zelfs als analfabeet een briljant schrijver zijn. Het ware kunstenaarschap gaat voorbij aan vaardigheden en bekwaamheden en is in essentie ongrijpbaar. Desondanks valt er een hoop te leren. Kunstacademies, conservatoria, dansopleidingen en toneelscholen bestaan er niet voor niets. Je moet iets kunnen, wil je aan die instituten worden toegelaten. En wie wordt afgewezen, kan toch een betere kunstenaar zijn dan iedereen die wordt toegelaten.

Een van de beste acteurs van Nederland is John Kraaijkamp senior. Hij werd afgewezen voor de toneelschool. Je kunt van Kraaijkamp echter niet zeggen dat hij een autodidact is. Hij is altijd artiest geweest en heeft het vak al doende geleerd. Een kunstopleiding is in feite niet meer dan een beschermde vorm van dat al doende leren. Dat gebeurt dan ook nog eens volgens pedagogische, didactische, onderwijsinhoudelijke en onderwijskundige methodes. Die zijn niet voor iedereen geschikt, zeker niet voor John Kraaijkamp. Hij heeft zelf ook wel lesgegeven. Dat kon hij niet. Iedereen die les van hem kreeg, zat met open bek naar hem te kijken als hij iets voordeed, maar als ze hem dan nadeden, sloeg het nergens op. Tot wanhoop van de oude Kraaij. Dat is het misschien: amateurisme is nadoen, professionaliteit is doen.

Een professionele kunstenaar wil niets aanleren, maar wil zich uitleveren. Hij stelt zichzelf ter beschikking, niet aan de regering, hoewel dat met het subsidiestelsel in Nederland wel vaak zo lijkt, maar aan de wereld. Door je werk in de wereld een plaats te geven, bevestig je je professionaliteit. Een amateur bewijst zich hooguit in zijn directe omgeving. Als hij die ontgroeit, geeft hij blijk van latente professionaliteit. Die komt tot uiting als zijn werk vervolgens ook beklijft en zich blijft ontwikkelen en verdiepen. Daarbij komt het vooral aan op zelfkritiek, zodat je vanuit zelfstandige oordelen je werk blijft verbeteren.

Een goed voorbeeld daarvan is de zangeres Roos Rebergen van Roosbeef. Voordat ze een cd ging maken, heeft ze jarenlang haar werk uitgeprobeerd, verfijnd en verbeterd. De eigenheid ervan stond van begin af aan buiten kijf, maar ze heeft het aangedurfd om ernaar te kijken alsof het van een ander was. Niemand die strenger oordeelt over zichzelf dan de professionele kunstenaar. Een amateur is blij met wat-ie kan, is blind voor het oordeel van anderen zolang hij er zelf maar plezier in heeft en ontbeert het vermogen om wat hij maakt inhoudelijk ter discussie te stellen.

Een professionele kunstenaar stelt altijd nut en noodzaak van wat hij maakt aan de orde en gaat geen consequentie uit de weg. Journalisten vragen aan acteurs die een gewaagde scène moeten spelen vaak of het niet eng was dat ze lelijk moesten zijn, of bloot, of gemeen. Een amateur wordt door zo’n vraag in verlegenheid gebracht, want ja, dat vindt hij inderdaad eng. Een professional niet. Als hij het wel eng vindt, is-ie een hypocriet. Een amateur doet liever iets wat hij leuk vindt, dan iets wat hem vreemd is. Een professional is geïnteresseerd in dat vreemde, in wat hij niet weet en kent, in datgene waar men zich niet mee kan identificeren. Zijn werk is uit noodzaak geboren en niet vanuit een eventualiteit. Professionaliteit is vooral een kwestie van mentaliteit en houding, of attitude zoals ze het in de kunstopleidingen vaak noemen.

Amateurkunst is, zoals gezegd, in feite een innerlijke tegenspraak. Wat kunst betreft moet je in andere gradaties denken dan in amateurisme en professionaliteit. Een amateur kan zich wel tot een professional ontwikkelen, maar daardoor moet hij alles wat een amateur kenmerkt naast zich neerleggen. Toegankelijkheid, een groot en breed publiek, media-aandacht en populariteit zijn dan bijvoorbeeld aspecten die er niet meer toe doen. Roem en eer zijn hooguit bijkomstigheden.

Met amateurkunst wordt bedoeld dat iedereen zijn creativiteit vorm moet kunnen geven. De faciliteiten die je ervoor nodig hebt, moeten voor iedereen beschikbaar zijn. De begeleiding die je erbij kunt gebruiken, moet op ieder niveau worden aangeboden. Die faciliteiten en begeleiding kunnen je in staat stellen je creativiteit te ontwikkelen. Dankzij die voorzieningen word je steeds beter in wat je eerst vooral heel leuk vindt om te doen en later wellicht ook ervaart als de noodzaak om je leven inhoud en zin te geven. Gaandeweg verdwijnt zo de scheidslijn tussen amateurisme en professionaliteit. In feite is het dan vooral een kwestie van steeds beter worden. Een amateur geeft vorm aan zijn creativiteit omdat hij het leuk vindt en ontwikkelt zich tot professional als de noodzaak om het te doen onafwendbaar is.

Professionaliteit in de kunst ontstaat overal. De voedingsbodem ervoor is zo uiteenlopend als maar zijn kan. Zowel in de straatkunst als in het klassieke toneel, dat soms straatkunst is, kan sprake zijn van amateurisme en professionaliteit. Ga op een plein in de stad staan met een buikspreekpop en je hebt binnen de kortste keren een drom mensen om je heen, ook al kun je helemaal niet buikspreken. Ook ‘De buikspreekster’ in de gelijknamige voorstelling van theatergroep Golden Palace kon niet echt buikspreken, maar de voorstelling won wel de landelijke mimeprijs. Iets niet echt kunnen is dus soms amateurisme, maar soms ook professioneel acteren. Misschien is het zelfs wel zo dat overtuigend iets niet kunnen de essentie van professionaliteit is en het krampachtig proberen iets te kunnen het wezen van amateurisme. Een professional blijft vanuit wat hij niet kan en niet kent altijd experimenteren om te ontdekken hoe hij daar toch vorm en inhoud aan kan geven; de amateur vaart op veiligheid en klampt zich vast aan wat hij zeker weet.

Professionaliteit in de kunst betekent keuzes maken. Harde keuzes. Juist omdat je geen keuze hebt. Het is altijd: dit wel en dat niet. Het gaat om een kwaliteitsoordeel gebaseerd op een persoonlijke overtuiging waarin kritiek en zelfkritiek samenvallen. In een sociale democratie gaat het om gelijke kansen en om het uitgangspunt dat we allemaal mee moeten kunnen doen. Maar al hebben we gelijke kansen en mogen we allemaal meedoen, toch blijft de een vanuit zijn liefhebberij een amateur en is de ander een professional vanuit persoonlijke noodzaak en begaafdheid. En dat heeft niets met genialiteit te maken. De kunstenaar als genie is een mythe die juist door de amateur wordt gekoesterd om een onbereikbaar ideaal voor ogen te houden. Een kunstenaar doet gewoon zijn werk, al levert het hem niets op.

Dit artikel verscheen eerder in het tijdschrift Boekman #84 Beroep: kunstenaar van de Boekmanstichting (www.boekman.nl).

| |