ARCHIEF
Archief » Blog » Homepage »

Michiel van Nieuwkerk in gesprek met Roy Villevoye


The Fifth Man, 2003, Lambdaprint, 125 x 160 cm

Roy Villevoye en Koos Breukel hebben op dit moment een expositie in Foam. Michiel van Nieuwkerk sprak met Roy Villevoye in het kader van het Studium Generale van de Kabk. Eerst werd zijn gefilmde portret uit de serie Hollandse Meesters, Deel 2 getoond waarna het interview volgde waarin dew isselwerking tussen research en de verbeelding wordt onderzocht.

MN: Wanneer maakte je voor het eerst een werk dat er toe deed voor jezelf?
RV: Dat weet ik nog goed, ik was al een tijd van de academie af. Ik had toen een tijd lang voor Sol Lewitt gewerkt. Samen met Fransje (zijn vrouw -red.) ben ik 6 maanden naar Italië geweest, daar heb ik bijna alle kunst van de afgelopen 2000 jaar mogen bezichtigen en onderzoeken. Toen ik terug kwam maakte ik een schilderij waarop een raster was getekend met potlood en daarover geschilderd in dunne lagen zinnobergroen met randen van druipende rode oker. Het was een synthese tussen een aantal zaken die ik belangrijk vond: het raster, mijn fascinatie voor de Renaissance maar ook mijn werkzaamheden voor Sol Lewitt. Het strekt zich uit over een paar eeuwen kunst. Het verwijst naar het platte vlak van het schilderij en wat erin wordt geprojecteerd. Dat specifieke groen was de kleur waar niemand op de academie mee werkte en ik dacht dat ik juist die kleur moest gebruiken. Rode oker is mogelijk de oudste door mensen gebruikte kleur. 

MN: Je bent dus begonnen als schilder begrijp ik uit je verhaal?
RV: Absoluut.

MN: Op een gegeven moment heb je besloten om het schilderen los te laten. Je kreeg het gevoel dat je een andere weg moest gaan. Kun je uitleggen hoe dat proces ging?
RV: In de tijd dat ik schilderde en een bepaalde aandacht voor die werken kreeg stoorde ik me aan de manier hoe makkelijk schilderkunst geaccepteerd werd. Schilderkunst is de knuffel onder de kunst, tegelijkertijd was er een groep mensen die een monopolie positie innamen en zij bepaalden welke schilderkunst goed was of niet, dat benauwde mij.

MN: Dat snap ik maar het gaat me even om het proces van het maken van een schilderij. Tijdens de werkzaamheden is het publiek nog ver weg. Was er iets bij het schilderen dat niet helemaal voldeed aan wat je wilde uitdrukken?
RV: Nee, het ging toch anders. Het schilderen hielp me om de dingen die mij interesseerden te verzamelen in eenheden. Mijn schilderijen waren verzamelingen van kleuren die cultureel gecodeerd zijn: huidskleur, de kleuren die het Amerikaanse leger op voertuigen gebruikte, de primaire kleuren waarmee de drukkerij foto’s maakt, enz. Met die ontdekking was ik erg blij maar al snel maakte ik de sprong naar die wereld zelf. Met name door de huidskleur begon ik me te interesseren voor fotografie. Tijdens de reizen die ik maakte fotografeerde ik al veel. Geleidelijk aan bleek dat de foto’s mijn fascinatie beter lieten zien: hoe ik in de wereld rond keek, waar het mee te maken had, met wie ik te maken kreeg.

MN: Wat fotografeer je dan?
RV: De mensen met wie ik was, de plekken, open plekken, omstandigheden waarin ik terecht kwam, ‘making-of’ van werk. Ik wilde niet perse een mooie foto maken maar de beelden verzamelen zoals de camera het zag. Dingen die met kleur te maken hadden.

MN: Maar als buitenstaander zou je zeggen dat je foto’s verzamelt, dan kom je in je atelier en dan verwerk je dat in een schilderij.
RV: Dat is mij te makkelijk, en dat interesseert mij ook niet. Ik ben geïnteresseerd in radicale kunst, niet zomaar een mooi ding. Het moet ergens over gaan, vaak moet het ook een eenmalig uniek ding zijn. Datgene dat ik nu kan en moet maken en wil zien.

Madonna (Omomá and Céline), 2008, ± 165 cm hoog, kunststof, siliconen rubber, menselijke haar, metaal en textiel, collectie Tropenmuseum Amsterdam

MN: Een van de thema’s van het Studium Generale is ratio en verbeelding. De ratio staat voor de research die nodig is en de verbeelding maakt het uiteindelijke werk, het ambachtelijke deel. Dus als ik het goed begrijp kost het researchen je de meeste tijd? Daar ben je heel lang mee bezig?
RV: Mijn leven is de research.
MN: Elke keer een ander thema of is het thema ook hetzelfde?
Ben je misschien een soort antropoloog?
RV: Nee, ik ben beeldend kunstenaar maar ik ben wel geïnteresseerd in die disciplines, zoals archeologie en antropologie.

MN: Voor een schilderij over de kleuren heb je eerst onderzocht welke kleuren ons omgeven en wat speciale kleuren voor jou zijn totdat je het hele scala weet en dan besluit je ik ga hier een beeld van maken? Hoe ga je te werk met het onderzoek?
RV: Het is meer zo dat ik me totaal verlies in alles wat me interesseert: Ik lees er over, ik wil het zien, ik wil erbij zijn, ik wil er naartoe, ik wil met die mensen te maken hebben. En ergens op een moment als je onder de douche staat om half acht in de ochtend rolt de knikker plotseling in het gaatje en weet je wat je wilt maken. Over maken gesproken, ik laat het graag aan iemand anders over. Schilderen deed ik als een huisschilder, met afplakken, goede verf en een kwast, heerlijk.

MN: Ja, je werkt nu meer conceptueel?
RV: Ja.
MN: Totaal conceptueel? In principe doe je niets?
RV: Jawel, ik ben er de hele tijd mee bezig.


31 December

MN: Hoe zit het dan met de ambacht? Met de kwasten en het verf.
RV: Daar was het ooit om te doen natuurlijk, om net als van Gogh lekker buiten te schilderen.
MN: Maar ben je vergeestelijkt of zo?
RV: Nee, ik ben heel praktisch en aards. Geleidelijk aan ben ik films gaan maken en daar moet ik hard aan werken. Het materiaal schieten, iedere dag in de studio: goed kijken, beslissingen nemen, knippen plakken.

MN: Toch is er een aspect in de film Hollandse Meesters dat niet goed beantwoord wordt. Waarom ga je op een gegeven moment op reis, terwijl je altijd in je atelier hebt gezeten. Opeens wil je naar de andere kant van de wereld, naar mensen die als in het stenentijdperk leven. Is dat van God gegeven? Of hoe werkt dat?
RV: Het was wel echt een moment dat als een bliksem insloeg toen ik me dat realiseerde en het besluit nam. Vanuit Europa reisde ik al eerder naar India waar het leven aansluit bij veel oudere tradities dan wij kennen. In India leven mensen soms als 3000 jaar geleden. Dat had kunst me beloofd, dat ik er mee in de wereld terecht kon komen.

MN: Ben je dan opzoek naar een soort van puurheid?
RV: Ik denk het wel. Ik ben geïnteresseerd in: wie zijn wij in wezen? Hoe werkt cultuur, en wat is daar de bron van? Al die vragen kwamen bij elkaar, en mijn ervaringen in India. Ik kwam los van mijn eigen geschiedenis, van Mondriaan. In een keer wist ik, ik wil naar Nieuw-Guinea, naar de Asmat, een stam waar kunst bewust wordt gemaakt. Een wereld die zo ver als mogelijk van de onze afstaat. Waar onze werkelijkheid niet meedoet. Die stam bestaat uit kleine groepjes die in een groot gebied geïsoleerd leven maar die wel dezelfde wortels hebben. Ze delen de cultuur door dezelfde afstamming en dezelfde mythes, dezelfde rituelen die het leven helpen en daarin is het belangrijk dat er een aantal mensen als kunstenaar optreden om op bepaalde momenten kunstvoorwerpen te maken die hun helpen om rituelen te voltrekken en dan kan iedereen weer door met zijn leven. Dat interesseert mij: dat je in een omgeving terecht komt waar kunst werkt. En waarbij je die overbrugging maakt naar het moment voor onze pre-industrie. We zijn toch dezelfde mensen, die misschien al wel 100.000 jaar dezelfde discussies, problemen, verhoudingen onderzoeken. Daar kun je meemaken dat kunst werkt.

MN: Als ik het goed begrijp ben je opzoek naar universele parameters die voor ons allen gelden. Wat is de overeenkomst met cultuur daar en hier? Heeft kunst daar dezelfde functie bijvoorbeeld? Eerder zei je ’daar is het noodzakelijk’.
RV: Ja, ik denk dat kunst mensen helpt om het leven te begrijpen of zich in ieder geval daar een plaats in te kunnen geven.

MN: Hoe kijken deze mensen naar jou? Hoe stel je je daar voor? Als kunstenaar?
RV: Mensen daar vinden het heel normaal als je kunstenaar bent. Ze kijken naar mij als iemand uit een andere wereld. Het is een lastig verhaal, want dat gat word nooit gedicht. Maar door daar als mens te zijn maakt het mogelijk om met elkaar te zijn, vriendschappen te sluiten en die zijn net als overal geladen met allerlei tegenstrijdigheden en misverstanden. Dat weet je van elkaar en daar help je elkaar in en soms is er geen overbrugging en dan laat je het voor wat het is. Daar zitten ook veel belangen in wat mij weer verwarde. Verwarring over de belangenverstrengelingen, die misverstanden.
MN: Wat bedoel je met belangverstrengelingen?
RV: Kijk, het feit dat ik daar getolereerd wordt, verrijkt mijn leven, ik wil dat meemaken, ik wil daar zijn, fotograferen, ik wil van alles, ik wil het tot mijn leven rekenen, ik wil erop rekenen dat het contact een soort waarachtigheid heeft. Voor hun speelt dat zij door de ontmoeting met mij iemand leren kennen van buiten hun wereld, iemand die zij aardig kunnen vinden. Of waar ze misschien wel fantasieën over kunnen hebben: ‘misschien kunnen we ooit wel met hem mee’ of dat ik hun kan helpen doordat ik bijvoorbeeld een visnet voor hun kan kopen. Er zijn wel een keer mensen uit de Asmat mee naar Nederland gekomen. Dat gebeurde op hun nadrukkelijke wens, maar ik heb ze geholpen om hier te komen.

MN: Je vertelde dat je een heel ander beeld krijgt van wat kunst betekent in hun samenleving. Wat is de rol van jouw kunst?
RV: Het meeste dat ik daar van weet is dat het persoonlijk is. Mijn kunst helpt me in het leven een weg af te leggen en helpt mij mensen te ontmoeten en in situaties te komen die mij interesseren. Ik kan mij voorstellen dat in de gedaante waarin ik mijn werk toon en dat laat groeien een metafoor schuilgaat. Dus dat het ook een weg is waarvan je ziet dat iemand die aflegt. Want de omstandigheden waarin dat werk zich toont zijn vrij robuust.. Het kan ook zijn dat het werk is waarin iets aantoonbaar wordt, de route die je moet afleggen.

Foyalé Givanep with T-shirt 'Matching Colours', 1992

MN: Waar ben je nu mee bezig?
RV: Vorig jaar ben ik met Koos Breukel, een portret fotograaf, naar de Asmat geweest naar een kleine Asmat-gemeenschap waar ik veel kom en die zelfs voor de meeste Asmat ver afgelegen is. Deze groep bestaat uit 120 mensen, kinderen, opa, oma’s baby’s, etc. Leven daar volkomen geïsoleerd in hun eigen onmetelijke regenwoud. Buiten hen lijkt er niemand te zijn. Ik ben daar geleidelijk aan steeds meer gaan portretteren en ik bracht die foto’s ook steeds mee terug bij een volgned bezoek en dat werd een soort ritueel. Ik maakte me vertrouwd met hun, en thuis keek ik naar hun foto’s om te zien wie het allemaal zijn. En als ik dan terug kom in Nieuw-Guinea en ze daar weer zie, dan gaat dat weer verder. Koos wilde graag een keer mee. Ik bedacht me: misschien is dit een mooi moment dat wij beiden met onze eigen achtergrond en ervaring daar iedereen individueel te portretteren, een soort dubbel groepsportret dus. En dat te combineren tot een werk. Dat hebben we ook gedaan, en dat is nu te zien in Foam in Amsterdam. Naar aanleiding van onderzoeken is er een theorie ontstaan dat de homo sapiens zich misschien al honderd duizend jaar formeert in groepen van maximaal 150 individuen. Dat is een groep waarbinnen je van alle leden de biografie kunt kennen waarmee je ook weet hoe je daar een relatie mee kunt onderhouden. Een groep met meer leden leidt vaak tot splitsingen en dan wordt de sociale structuur ingewikkeld. Dan staan er mensen aan de kant, die alleen meedoen als er successen zijn. Een te kleine groep maakt het lastig om praktisch te overleven. Deze Asmatgroep is precies zo’n groep. Het is een onderzoek naar de groep en het individu, in de vorm van groeps- en familie portretten maar ook als individuen. Het gaat dus verder dan de fascinatie voor de Asmat als cultuur, ik zie het meer als bron.

Vragen uit het publiek:
Publiek: Hoe communiceer je met de mensen van de Asmat stam?
RV: Ik spreek een soort Indonesisch, dat ik van hun heb geleerd. Toen ik daar voor het eerst was wilde ik het al dezelfde avond nog spreken! Dus heb ik veel moeite gedaan om snel de taal te leren. Later bleek dat de taal die iedereen met elkaar verbindt een houtje touwtje Indonesisch is maar dat klinkt vloeiend als we met elkaar spreken.

Publiek: Voel jij je een culturele missionaris? Neem je bijvoorbeeld een Jan van Eijk mee en vertel je over zijn beroemdheid?
RV: Nee dat niet, maar ik heb wel een verhaal over twee broers uit de Asmat die eens in Nederland waren, getalenteerde kunstenaars in hun cultuur, mannen van de wereld waar je alles mee kan bespreken maar ze waren nog nooit eerder uit dat regenwoud geweest. Samen bezochten we het van Gogh Museum. Daar hing de Aardappeleters, en ze werden letterlijk niet goed toen ze de titel hoorden bij dit beeld, ze stonden me verbijsterd aan te kijken en zeiden ‘dat kun je toch niet maken voor de aardappel!’. De rest van het museum bezoek ging op aan verwarring en de verstoordheid die zij ervoeren, ze konden het niet van zich afschudden.

Markus Biní with Palette, 2007

| | | tag - Koos Breukel & Roy Villevoye - Tí, Foam Amsterdam, Roy Villevoye, Michiel van Nieuwkerk | laat een reactie achter