ARCHIEF
Archief » Blog » Homepage »

L&F: Verloren en buiten de tijd gevonden




Als ik voor de eerste keer in mijn leven de trap naar de bovenste verdieping van de Waag aan de Nieuwmarkt bestijg, heb ik het gevoel dat ik stiekem binnen kan in de bunker die mijn hele jeugd een geheim voor mij gebleven is en me vanwege zijn ouderdom mateloos intrigeerde. Zelfs het nu op de begane grond gevestigde restaurant was er nog niet. De bovenverdieping met het Theatrum Anatomicum waar Rembrandt De anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp heeft geschilderd, was nog niet toegankelijk. Het was voor mij het kasteel uit mijn jeugd toen ik aan de Nieuwmarkt woonde, en het zat altijd potdicht. Onneembaar als het verleden zelf.

 Nu is er een scheur in het verleden, een kier waar ik doorheen glip en daar boven is de Waag Society gevestigd. Vanavond is er deze editie van Lost & Found die ik bijwoon; ‘een avond voor verdwaalde geluiden en beelden’, waarbij kunstenaars work in progress laten zien en experimenteren met werk dat (nog) niet in hun oeuvre past.

Weldra merk ik dat de werken die worden getoond niet alleen niet of nog niet passen in het oeuvre van de kunstenaars die ze tonen, maar ook uit de context van hun tijd zijn gelicht om daarmee een nieuw licht op die en op onze tijd te werpen. Alsof ze daar verloren zijn, en hier weer werden gevonden.


John Dikeman is DJ, Alma Mathijsen en Julia van Mourik die het organiseren, presenteren afwisselend in het Engels en het Nederlands. De kunstenaars komen uit Nederland en uit het buitenland, zo ook het publiek. Deze avond gaat over ver weg en dichtbij, vervreemding en herkenning, vroeger en nu, over één persoon en zijn vormingsgeschiedenis, over de invloed van de omgeving op een cultuur en haar scheppingen. Dat alles hangt met elkaar samen. Net als de anatomie van het menselijk lichaam die dokter Tulp op deze plaats gedemonstreerd moet hebben aan leergierigen die zich, zoals wij nu, hier ter plaatse hadden verzameld.

Abel Minee toont oude boeken die hij bijeen heeft gescharreld op het Waterlooplein, en die in hun eigen tijd voor informatief en leerzaam doorgingen; nu zijn het curiositeiten die inkijkjes verschaffen in verouderde of achterhaalde denkbeelden van eerdere generaties. Wilbert de Joode improviseert op zijn basgitaar. Hij zegt dat hij er hoopt terug te vinden wat hij ook maar heeft verloren. Zo zie je en hoor je hem zoeken over de snaren. Hij is duidelijk iets kwijt, het is het zoeken en het vinden zelf dat hij in klank probeert te vatten.



In hoeverre bepaalt de affiniteit die je ergens mee hebt, de mate waarin het je aanspreekt? Ben je als toeschouwer lui als je liever ziet wat je enigszins herkent, dan wat je totaal niet herkent en zou je juist de vervreemding moeten waarderen, die veel leerzamer is, vraag ik mij kijkend en luisterend af. Of ben je gedoemd betekenis te geven met de middelen die je hebt, en heb je bij herkenbaarheid nu eenmaal meer middelen tot je beschikking?

Denk ik daarom bij de gil-, bloed- en ingewandenkunst van Rudolf eb.er dat dit typisch Oostenrijks is, vol verdrongen perversies, terwijl het hier toch om een Zwitserse kunstenaar gaat? Draag ik daarmee onwillekeurig dezelfde verklaring aan die in de Bachelor’s guide to Amsterdam – een van Abel Minnees boeken, in de jaren zestig voor toeristen geschreven door een Amerikaan - wordt geopperd voor het destijds veel voorkomen van SM-seks op de Wallen? De hunker naar SM-seks op de Amsterdamse Wallen zou volgens deze Amerikaanse gidsenmaker te maken hebben met een collectief verlangen naar bestraffing bij de Nederlanders, omdat die zo eenvoudig door de Duitsers werden overheerst en bezet tijdens de Tweede Wereldoorlog, en omdat er zo veel collaboreerden.


Een heel andere hypothese dan de gangbare van de bevrijding van de seksualiteit in de jaren zestig en zeventig, juist in reactie op de preutse jaren vijftig. Ik wuif de Amerikaanse veronderstelling dan ook gekscherend weg als achterhaald en foutief, maar merk dat ik zijn gedachtegang volg als ik zelf Oostenrijkse kunstenaars hun morbide fantasieën zie uitleven op het podium: zou dat nou komen doordat ze Hitler juichend binnenhaalden en zich van de schaamte daarover moeten bevrijden?

Jarenlang werd de Nederlandse zogenaamde tolerantie verklaard uit ons landschap, dat zo open was, met weide en polders, en het feit dat we een zeevarende natie waren, die moest onderhandelen met andere volken om handel te kunnen drijven. Dit in tegenstelling tot het in zichzelf gekeerde, zeeloze Duitsland, Zwitserland en Oostenrijk, waar in de valleien xenofobie kon gedijen, woekeren en groeien. Nu komt filmmaker Fow Pyng Hu met de prikkelende stelling dat dit zelfde open, lege, aan zee gelegen landschap van de Nederlanders er de oorzaak van is dat wij zulke onbekende en weinig opzienbarende films produceren. Waarom is er in Nederland geen grote regisseur? vraagt hij zich af. Wij hebben hier geen onderwerpen, niets gebeurt hier, geen Dogma Manifest wordt hier geschreven.

Misschien is dat de reden dat sommigen hun heil zochten in de gevaren van SM. Zijn de Wallen onze bergen, onze wouden?


Fow Pyng Hu zag het uit het raampje van zijn vliegtuig, toen hij opsteeg richting Denemarken: eerst was daar het land dat hij verliet; verkaveld, in keurige lapjes verdeeld en geordend, maar eenmaal over de grens werd het al rommelig, heuvelig, kronkelig. Een uur later lag onder hem een diep meer, was er een gigantisch woud, en toen daalde het vliegtuig in het oord van de grote films: Denemarken.

Fow Pyng Hu, Chinees maar opgegroeid in Nederland, vraagt zich af: Waarom vergelijken we ons met Deense mensen? Wij zijn wat we zijn; sober, right into your face; we missen bergen, natuur, ruimte. We hebben niet het soort landschap dat onze fantasie prikkelt, dat ons doet verbazen, dromen. Onze bossen zijn heel klein; je ziet al van grote afstand wat er aan komt, er is nooit een echte verrassing, we hoeven de natuur niet te vrezen, niet te sidderen in het grote woud. Wij zelf zijn al even open. We hebben niets te verbergen, en dat is ook de manier waarop we denken en de dingen tonen.


Dan gebeurt er iets vreemds dat mijn meanderende associaties onderbreekt. Het hoofd van de Amerikaanse dichter John Sands wordt via Skype op een groot beeldscherm aan het publiek getoond, en hij begint zijn essay voor te lezen: ‘So That if I Died It Mattered’. Sands begint met de constatering dat hij 29 is en niet in een betekenisvolle relatie zit. Het creatieve Mekka van New York, waarheen hij gemigreerd was, is weliswaar een goede incubator van creativiteit maar laat je niet opgroeien op de manier van de Midwest, waar op jonge leeftijd huwelijken worden gesloten en kinderen gemaakt. Het drijft Sands ertoe zijn ‘profound singleness’ te onderzoeken, en op zoek te gaan naar zijn wortels, zijn familie, en wat hen bindt.

‘Art is how you explain what it feels like to be alive in the 21st century. I am an emotional historian,’ verklaart hij in zijn essay. Maar, zegt hij erbij, dat is het algemene antwoord, het antwoord op de vraag: ‘Why should we all make art?’. Zijn eigen waarom is persoonlijker. Zo keert hij die boven ons hangt en spreekt als een gigantisch orakel, in gedachten en schrijven terug naar het gezin waaruit hij voortkomt, en vertelt ons er van. Het publiek moet de vertaalslag maken, moet meeleven met de mond die imponerend groot de tekst uitspreekt, en dat heeft iets paradoxaals: zoals hij uitgelicht is buiten de tijd, door ruimte hierheen geflitst, om te spreken over vroeger.


De avond wordt afgesloten door documentairemaakster Marije Meerman. Haar films gaan over de impact van globalisering, economie en internationale politieke verhoudingen op het individu. Ze laat een stukje zien uit de film waarmee zij in 1995 debuteerde: ‘De Kresj: Leef & Werk in de Geest van Lenin’ over haar opvoeding op de Amsterdamse anti-autoritaire crèche. Ook zij gaat terug naar haar eigen achtergrond, de idealen uit het gezin waaruit ze voortkomt, en uit de tijd waarin ze als peuter gevormd werd. Nu wil ze een nieuwe film gaan maken, waarin de moeders van die kresj terugblikken op de idealen waarmee de formatieve jaren van hun kinderen werden vormgegeven - of op hun beloop gelaten – en hoe zij die nu beoordelen. Ze laat ook nog een fragment zien van de film ‘Hippies in het Vondelpark’ uit 1973 van de Cineclub Arnhem – eigenlijk bedoeld als antipropaganda voor de Amsterdamse hippie-faciliteringspolitiek, maar zo uit de context gehaald een schitterend tijdsdocument, precies zoals dat werkte bij de antiquarische boekenverzameling van Abel Minnee.

Die hippies waren eigenlijk ontzettend exotisch, vind ik. We hebben helemaal geen bergen en reusachtige wouden nodig om de fantasie voor een goede film te prikkelen. We kunnen gewoon naar ons eigen verleden kijken dat, uit de historische context gelicht, vreemd en tegelijk herkenbaar is. Die combinatie van vreemd en herkenbaar maakt het spannend. Is Lost and Found. Misschien verklaart dat ook waarom er in Nederland zoveel goede documentairemakers zijn.

Onder Rembrandts Anatomische les probeerden wij niet de anatomie van ons lichaam maar die van leven, kunst en onszelf daarin te ontleden. Ik daal de trappen van de Waag af, de stad in, waar de cafés al vol zijn.








Vrijdag 5 juli is de volgende Lost en Found. Flyer ontworpen door Jan Rothuizen

| | | tag - Lost en Found | laat een reactie achter